Not quite Dickens


Not quite Dickens

Remmert Dubois huiverde. Hij liep vanuit de aankomsthal naar de taxistandplaats van Lille-Lesquin. De grauwheid van deze decemberdag drukte een zware stempel op de betonnen omgeving. ‘In wat voor een godvergeten negorij hebben ze me nu toch weer gedumpt’, mopperde hij stuurs in zichzelf. Hij schokschouderde in zijn Italiaanse maatpak en trok de kraag van zijn dunne overjas nog wat hoger. Noord-Frankrijk was kil en nat en vooral niet de plaats waar hij nu wilde zijn. Het was donderdagmiddag 22 december 2011.

De vlucht uit Houston was in verband met vakbondsacties afgeleid van Zaventem naar Rijsel. ‘Vakbondsacties, zijn die Belgen nou helemaal van de pot gerukt? Hebben ze na God weet hoe lang eindelijk een regering, gaan ze daar weer om staken. Ze zouden die linkse klootviolen allemaal aan de eerste de beste boom op moeten knopen…’ Remmert Dubois keek recht in het verbaasde gezicht van de chauffeur die recht voor hem, leunend tegen zijn taxi, een Gauloise stond te roken. Even twijfelde hij of hij dat laatste hardop had gezegd. Wat deed het er ook toe, die Franse idioten verstonden hem toch niet. Hij moest hier weg, naar Nederland. Die trol achter de informatiebalie had hem, in iets wat zij onder Engels leek te verstaan, duidelijk gemaakt dat er vandaag geen vluchten naar Nederland meer waren. En treinen ook niet. ‘La grève en Belgique, straik’, had ze bij herhaling tegen hem gezegd. Steeds heftiger gesticulerend en ook steeds harder pratend. ‘Wat dacht zo’n ordinair stuk informatiemiep eigenlijk, dat ze een grote mond kon opzetten tegen hem?’

‘Et alors?’ De taxichauffeur schoot zijn peuk over het asfalt en keek de reiziger ongeïnteresseerd aan. ‘Holland’, blafte Dubois, ‘Pays Bas’. De chauffeur haalde zijn schouders op. ‘Non, trop loin’, was het enige wat hij zei, voor hij zich tot een andere potentiële klant richtte. Verbijsterd keek de succesvolle Nederlandse zakenman toe, hoe het wat oudere West-Vlaams koppel, dat hem in het vliegtuig al zo had geirriteerd met hun onverstaanbare dialect, snel op de achterbank van de Mercedes schoof. Voordat de chauffeur instapte riep hij nog iets onverstaanbaars naar zijn collega’s achter hem. Remmert Dubois verstond geen woord Frans, maar het was overduidelijk dat geen van de heren sjoege had in een ritje Nederland. Hij pleitte, hij soebatte, hij wapperde met bankbiljetten. Hoe druk Remmert Dubois zich ook maakte, hoe rood hij ook aan liep, niemand leek van plan hem een rit aan te bieden. Net op het moment dat hij stond te overwegen de TGV naar Parijs te nemen en van daaruit naar Amsterdam te vliegen, tikte er iemand op zijn schouder. Achter hem stond een pafferig oud mannetje in hemdsmouwen. ‘Taxi?’ Dubois keek over de man heen, maar zag zo gauw geen lege taxi staan. Hij knikte. ‘Holland’, zei hij zonder veel hoop. Het mannetje keek naar hem op, draaide zich om en mompelde iets. De reiziger verdiepte zich weer in zijn smartphone toen hij hoorde roepen. ‘Viens’, het mannetje wenkte, ‘viens’.

‘Dit kan toch niet waar zijn.’ Vol ongeloof staarde Remmert Dubois naar de uitnodigend geopende deur van de taxi. ‘Het is verdomme een wonder dat die deur er niet meteen uitflikkert.’ Voor hem stond een walmende oude Citroën. Hij kende het type wel. Thuis stond een eindje verder op de gracht ook zo’n ding te vegeteren. Buik op de grond en gras tussen de stenen. Vergeleken bij wat er nu voor hem stond was dat een zeldzame klassieker. ‘Alsof ik nog niet genoeg gezeik heb vandaag’, raasde het door Dubois’ hoofd. ‘Eerst die Amerikaan die op het laatste nippertje de deal afblies, dan het gelazer met die staking, zijn vriendin die hem onmiddellijk voor hypocriete leugenaar had uitgemaakt toen hij haar belde om te zeggen dat hij geen idee had hoe laat hij in Amsterdam zou zijn, en nou dit. Je gelooft toch werkelijk waar niet dat ik ook maar een stap in dat hok zet? Ik ga nog liever te voet.’ Het mannetje wenkte nogmaals uitnodigend, ‘Holland?’ Woedend van onmacht schoof Dubois zijn kleine trolley op de achterbank en kroop er zelf achteraan. Een muffe lucht als van een oude paardendeken benauwde hem onmiddellijk. Het mannetje schoof achter het stuur en haalde een oude kaart van België uit het dashboardkastje. ‘Holland’, zei hij vragend en wees naar de opengevouwen kaart. Remmert Dubois orienteerde zich even en wees toen Breda aan op de kaart. ‘Breda, gare de Breda’. ‘Als ik eerst maar eens in Nederland ben, dan red ik me wel’, dacht hij moedeloos.

Met een geirriteerde zucht liet Remmert Dubois zich terugzakken in de veel te zachte achterbank. ‘Waar ben ik in terechtgekomen’, vroeg hij zich onwillekeurig af. Schommelend en brommend zette de oude Citroën zich in beweging. Vanaf de achterbank leek het wel alsof de bestuurder met moeite over zijn stuur heen kon kijken. De passagier sloot kort zijn ogen. Met dit weer en een stakend openbaar vervoer in het transitland kon de oversteek nog wel even duren. Er van uitgaand dat dit vehikel om te beginnen de Frans-Belgische grens zou halen natuurlijk. Met het nodige kabaal uit het vooronder nam de taxi inmiddels de oprit naar de snelweg. Al gauw ebde de ergste herrie weg in een sonore brom die irritant op de achtergrond aanwezig was, maar nog veel ergerlijker werd overstemd door het fluiten van de deurrubbers. Het raam was helemaal dicht, dat had hij al geprobeerd. De deur leek ook goed afgesloten, al gaf het deurpaneel hem niet het vertrouwen om er nog eens een flinke ruk aan te geven. ‘Kunnen die Fransen dan echt helemaal niets anders dan knoflook vreten’, vroeg Dubois zich narrig af. ‘Geen wonder dat zelf ook liever in een Duits merk rijden tegenwoordig’. Hoewel zijn achternaam anders deed vermoeden, had hij helemaal niets met Frankrijk. Ook als vakantieland had het hem nooit kunnen bekoren. Het liep er trouwens toch altijd vol met Nederlanders. In de halve koepel voor de chauffeur, het leek wel een vliegende schotel, schenen twee flikkerende gele ogen. Een ervan leek de snelheid aan te geven, maar echt wijs kon hij er niet uit. De chauffeur bleef strak op de rechterrijbaan tussen de vrachtwagens rijden, stak een sigaret op en drukte een cassette in de autoradio. Hij leek er weinig erg in te hebben dat zijn passagier op de achterbank geen van die drie acties erg op prijs stelde. Hij leek hoe dan ook geen notie te hebben van de passagier achterin. De smartphone van Remmert Dubois begon luidkeels Mussi Denn van Elvis Presley te bleren, maar van de voorbank kwam geen enkele reactie. ‘Ja’, snauwde Dubois in zijn telefoon. ‘Oh ben jij het. Nee, ik zit nog in Houston. Morgen nog twee belangrijke besprekingen. Nee, ik ben niet voor eerste kerstdag thuis, dat weet je toch!?’ Aan de andere kant van de lijn deed Angelique Dubois haar beklag, maar haar man luisterde al niet meer. Kwaad keek hij uit het raam van de taxi. Hij had haar duidelijk genoeg gemaakt dat hij zou proberen om voor het kerstdiner thuis te zijn. ‘Als ik er zondag om drie uur nog niet ben, dan vertrek je maar vast met de kinderen. Dan kom ik wel rechtstreeks met een taxi naar je moeder’. Hij haakte in. Gezeik met die wijven ook altijd. Als je tegen ze liegt is het niet goed, als je niet tegen ze liegt zijn ze ook niet tevreden. Eerst maar eens zien of Merel hem na het gesprek van eerder vanmiddag nog binnen liet. Al bijna een jaar bracht hij meer tijd met haar door dan met zijn vrouw en kinderen, maar de laatste weken leek niets nog goed genoeg. Dacht zo’n studentje van twintig nou echt dat hij voor haar zijn hele leven overhoop zou halen? Hij richtte andermaal zijn blik op de gele ogen in het dashboard. Buiten was het nu helemaal donker en het gelige licht gaf het grauwe gezicht van de chauffeur een lugubere uitdrukking. Het leek wel een wassen beeld, zoals hij daar strak voor zich uit keek, met de uitgedoofde sigaret nog tussen zijn lippen. ‘Die zou niet misstaan in een verhaal van Dickens’, dacht Remmert Dubois doezelig.

De reiziger schrok wakker uit een droomloze slaap. Hij draaide met zijn hoofd. Zijn nek voelde pijnlijk aan door het vooroverhangen van zijn hoofd. Hij keek naar buiten over de felverlichte Belgische snelweg en kreeg nog net een wegwijzer mee. ‘Meer’. ‘Meer, dat kan niet, hoe laat is het dan?’ Zijn horloge gaf kwart over acht aan, ruim vier uur na vertrek. Het mannetje op de voorbank zat er nog net zo onverstoorbaar bij als voorheen. De vreselijke Franse muziek klonk nog net zo verschrikkelijk en de doordringende geur van goedkope sigaretten irriteerde nog steeds zijn neusgaten. ‘Meer, dan was hij bijna in Breda, bijna in Nederland, bijna verlost van deze nachtmerrie’. Een piepje, ‘waar ben je?’ ‘Merel wilde weten waar hij was’. ‘Bijna Breda’ was zijn korte bericht terug. De telefoon zweeg weer. Die kou leek ook weer uit de lucht. Verveeld keek Remmert Dubois uit het raam. Ze passeerden bij Hazeldonk de grens en hij kon zich nog steeds niet voorstellen dat hij al die tijd geslapen had. Ze moesten behoorlijk wat file hebben gehad, gezien de tijd dat ze al onderweg waren. Hij keek op de taximeter. ‘Die gek kan wel half België rond gereden zijn terwijl ik sliep’. Ontevreden richtte hij zijn blik weer op het donkere landschap buiten de auto. ‘Nog even’, herhaalde hij stil tegen zichzelf, ‘nog even’.

Met een diepe zucht ging Remmert Dubois zitten in de verder lege eerste klasse-coupe. Hij had een bloedhekel aan het openbaar vervoer en nog veel meer aan het openbaar vervoer in Nederland. Maar hij was in Nederland en hij was op weg naar Merel. Hij had haar zijn aankomsttijd doorgestuurd en gezegd dat hij honger had. Het zou wel weer zo’n gore opgewarmde studentenprak worden, of een of ander slecht te definiëren afhaalgerecht, maar zij zou het hem opdienen. Met die aanhankelijke hondenblik in haar ogen naar hem zitten kijken, terwijl hij met tegenzin zijn bord leeg at. Ze zou het veel te sletterige lingeriesetje dragen, dat hij haar vorige keer had gegeven en ze zou er zich ongemakkelijk in voelen als hij haar wilde bekijken. Hij gniffelde in zichzelf bij deze gedachte. Ze vond het vreselijk als hij haar zo behandelde. En hoe beteuterder ze keek, hoe leuker hij het vond. Ze had eigenlijk de kerstdagen bij haar ouders door willen brengen, maar hij had haar zo ver gekregen bij hem te blijven tot eerste kerstdag. Wat ze daarna deed liet hem koud, maar hij had geen zin om drie dagen gezellig te doen met vrouw en kinderen. Remmert Dubois had weinig op met andere mensen. Er waren er in zijn ogen maar weinig die zijn niveau en klasse hadden. De enkelingen die er wel voor in aanmerking kwamen, vond hij ongelofelijke eikels. Al was dat dan niet per definitie een belediging. Hij had de taxichauffeur gepast betaald. ‘Welke idioot rijdt er nou zo’n teringeind in de hoop een dikke fooi te verdienen?’ Nee, Remmert Dubois deed niet aan goede werken. Hij was op zijn zesendertigste geen succesvol zakenman omdat iedereen hem zo aardig vond. De trein schommelde zachtjes heen en weer bij het passeren van een wissel. De eentonige cadans deed hem bijna weer in slaap vallen. ‘Nee Remmert, niet weer, je gaat niet je hele reis liggen pitten’, hield hij zichzelf streng voor.

Op het natte grasveld stonden zijn kinderen hartverscheurend te huilen. Geluidloos. Er was nergens geluid te horen. Alleen de twee meiden met hun betraande gezichten. Remmert Dubois vroeg hen wat er was. Geen reactie. Het leek of ze hem niet zagen. Ze keken glazig langs hem heen. Een angstaanjagende gele gloed in hun ogen. Ze verdwenen in de diepte, het leek wel alsof hij opsteeg. Hij hing boven een begraafplaats. Daar, een familiegraf. Zijn familiegraf. Zijn familie. Geen steen meer op het graf. Kale skeletten, alleen de oogkassen. Weer die gele ogen. Vanuit de dood staarden zijn ouders dwars door hem heen. In een hoek van het kerkhof stond een zwaarlijvig jongetje langs hem heen te staren. Remmert Dubois herkende hem niet, maar hij wist dat hij hem wel had moeten kennen. Gezicht na gezicht flitste aan hem voorbij. Sommigen bekend, sommige niet, maar stuk voor stuk hadden ze iets te maken met zijn leven. En allemaal keken ze langs hem heen alsof hij niet bestond. Het flikkerende gele licht in hun ogen vond hem niet waardig genoeg. Nu zag hij waar zijn dochters naar keken. Het waren Angelique en Merel, die elkaar bevochten met alles wat er aan keukengerei voorhanden was. Diezelfde stilte. Scherpe messen, scharen, kurkentrekkers, maar geen druppel bloed. Hij zag Merel uithalen met een hakmes en slaakte een kreet. Angelique hoorde hem niet. Het licht in haar gele ogen doofde uit terwijl het mes haar borstkas open reet. Uit het gat kwam een hoofd naar buiten. Eerst herkende hij het niet, maar toen zag Remmert Dubois duidelijk het gezicht van de man die hij vanochtend nog verwenst had na het afketsen van de deal in Houston. Alleen het gapende gat in zijn achterhoofd zat er toen nog niet. En die gele ogen, die gele ogen, die gele ogen… ‘Mijnheer, mijnheer.., MIJNHEER…’ De man die hem aankeek had geen flikkerende gele ogen. Geen gat in zijn achterhoofd. ‘Amsterdam CS mijnheer. Deze trein gaat niet verder.’

Remmert Dubois huiverde. Hij liep naar de taxistandplaats van het Centraal Station. Iemand tikte op zijn schouder. ‘Taxi Mijnheer?’ Achter hem stond een pafferig oud mannetje in hemdsmouwen. ‘Taxi?’ Werktuiglijk volgde Remmert Dubois de man en stapte achterin de oude Citroën. ‘Waarheen gaat de reis Mijnheer?’ ‘Naar huis, breng me maar naar huis. Ik heb een verrassing’.

tekst: Marc Zaan


© Citroën-Forum 2003 - 2019 | adverteren
Facebook