Citroëns in Inkt: André Franquin


Citroëns in Inkt: André Franquin

Het zit vaak in de kleinigheden. Zoals het vergeten van één woord: “miniatuur”. Door dat ene woord te vergeten zat de redactie met twaalf prachtige DSsen in plaats van de gewenste miniaturen. Dat was in 1965. Guust had maar één woord vergeten…

Misschien is dat onder citrofielen wel de bekendste grap die André Franquin maakte rond de auto die hij zelf reed: de Citroën DS. Het was zeker niet de enige keer dat een Citroën optrad in zijn werk en ook zeker niet de laatste keer dat dat gebeurde als onderwerp of lijdend voorwerp van een grap. André Franquin overleed in 1997. Na twintig jaar kijken we nog eens terug op ons merk in het werk van een fanatieke DS-rijder.

De belangrijkste helden van Franquin reden zelf zelden Citroën. Kwabbernoot had in de vroege jaren ’50 een 5CV Sport, maar Robbedoes en Kwabbernoot reden in het grootste deel van hun reeks onder Franquin twee (fictieve) Turbots voordat ze overstapten op een Honda S800. Guust Flater reed in een steeds verder onttakelde Fiat 509, die nog wel eens per abuis voor een Citroën wordt aangekeken. Dat betekent niet dat Citroëns geen belangrijke rol spelen in de series. De scène waarin Kwabbernoot in een op afstand bestuurde ID wordt ontvoerd, is legendarisch, ook omdat de handschoenen op het stuur waren gebaseerd op de typische gewoonte van de tekenaar om zijn DS te parkeren met z’n handschoenen zodanig op het stuur dat het er veel op leek dat de onzichtbare man in was gestapt.

Hoewel Guust zelf dus in een Fiat van twijfelachtige conditie rondrijdt, gebeurt er ook rond zijn personage nogal het één en ander met Citroëns. “De grootste vis die ik ooit gevangen heb, was zo’n grote snoek”, merkt Guust op – en wordt verkeerd begrepen door de bestuurder van een DS Pallas, die daardoor bij het inparkeren schade maakt. Het merkwaardigste aan die grap lijkt de tekst. Ook in het Frans handelt die over een snoek (brochet) en de grootste snoek die Guust ooit heeft gevangen moet nu op ongeveer 4,83m lang worden geschat… Zou Franquin hier voor het Vlaamse en Nederlandse publiek een paasei hebben verstopt? Veel later tellen we niet één of twee, maar zelfs drie Citroëns op de snelweg, waar Pruimpit vanuit de auto van Guust bloemen plukt. Het zijn een GS, een DS en een SM, waarbij de SM duidelijk is gebruikt als het schoolvoorbeeld van een snelle, dure wagen. Wie zich in de decors gaat verdiepen (wat op zichzelf al zeer de moeite waard is) vindt daar nog ontelbare Tractions, 2CVs, Ami’s en andere Citroëns.

André Franquin leerde het vak in de loop van de jaren ’40 samen met onder anderen Morris (Maurice de Bevere) in de VS als animatietekenaar. In 1946 zou hij de avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot overnemen van Jijé (Joseph Gillain), waarmee de bekendste periode in die reeks zou beginnen. Hij zou er 21 jaar lang, tot 1967, aan blijven werken, waarbij bekende personages als de graaf van Rommelgem, de Marsupilami en het dorp Rommelgem zelf, met al zijn typische inwoners aan de tekenpen van Franquin zouden ontspruiten. Door een ruzie bij Dupuis zou Franquin korte tijd bij Lombard werken en daar de strip Ton en Tineke ontwikkelen. De ruzie met Dupuis duurde niet lang en Franquin was snel terug op het oude nest. Vanaf 1957 tekende Franquin voor Dupuis, naast Robbedoes en Kwabbernoot, een wekelijkse grap rond Guust Flater. Ook werkte Franquin aan de autorubriek Starter. In die periode werd hij veel bijgestaan door Jidéhem (Jean de Mesmaeker), die na 1961 veel werk van Franquin volledig zou overnemen (waaronder Starter) en die zelf ook verklaard Citrofiel is. In de loop van de jaren ’60 en ’70 werkte Franquin vooral aan de reeks Guust en aan de reeks De Marsupilami, een figuur waarvoor hij de rechten zelf hield. Vanaf 1977 tekende Franquin voor de tijdschriften Le Trombone Illustré en Fluide Glacial een reeks inktzwarte, maar veelal briljante grappen die in twee albums zouden worden gebundeld: Zwartkijken/Idées Noires. Het laatste album van Guust kwam na een pauze van 14 jaar in 1996 uit. In de tussentijd was er wel een album 0 met de allereerste grappen uit 1957 verschenen en, eindelijk, het ‘spookalbum’ R5, waarin onder andere reclamegrappen voor een frisdrank van brouwerij Piedboeuf en voor Philips batterijen werden gebundeld.

Fans hielden moed toen in 1996 het vijftiende album in de serie Guust verscheen; de grappen en tekeningen hadden nergens aan souplesse, timing en detail ingeleverd. Het mocht echter niet meer baten. André Franquin, misschien wel de belangrijkste exponent van wat nu de School van Marcinelle wordt genoemd, overleed op 5 januari 1997. Hij was net 73 geworden. Het was voor het beeldverhaal het einde van een tijdperk. Het was voor de Citroën-gemeenschap het verlies van een kunstenaar die de bijzondere lijnvoering van Citroën perfect wist samen te smelten met de technieken die het beeldverhaal vraagt. Gelukkig is het oeuvre van Franquin ruimschoots toegankelijk, zodat we er als liefhebbers nog lang van kunnen genieten.

Wie André Franquin aan het werk wil zien, doet er goed aan op YouTube eens te zoeken naar oude afleveringen van het TV-programma Tac au Tac!

Wie wil reageren op dit bericht kan dat doen in het draadje Citroëns in Inkt: André Franquin.

Tekst: Penny Lane, illustraties: André Franquin

© Citroën-Forum 2003 - 2017 | adverteren
Facebook